Nieuws

Interview met Erik Whien

Dinsdag 21 maart 2017

Find me a boring stone is een nieuw stuk dat Rik van den Bos op verzoek van regisseur Erik Whien schreef. In het stuk volgen we de psychische reis van een man die net iemand verloren heeft. We volgen zijn reis van donker naar licht, van verwond naar heel. Een man die probeert de wereld vanuit een nieuw perspectief te omarmen. Hij staat achter het raam en beziet de mensen, de stad, de mensen in de stad en is langzaam in staat zichzelf weer te plaatsen te midden van het leven.

Wat was de eerste gedachte toen je met Rik over dit stuk ging praten?
De eerste gedachte was dat ik het hele leven wilde proberen te vatten. En dat in de breedste zin van het woord. Ik wilde niet een deel ervan, ik wilde het over het geheel hebben. Een toneelstuk richt zich over het algemeen op een deel van het leven. Ik had de behoefte om uit te zoomen en verbanden te leggen. Op een punt te komen waar je alles overziet.

Hoe hebben jullie daarover gesproken?
Rik dacht meteen: te gek. Maar het is moeilijk om dat gesprek te voeren, want alles is tegelijkertijd ook niets. Dat is ook een boodschap van het stuk, dat alles en niets van hetzelfde spul gemaakt zijn. Dat is waar ik het over wilde hebben, ik was op zoek naar troost, naar een soort zachtheid.
Het had ook met het plotloze te maken. De reden dat ik vanuit een nieuw geschreven tekst wilde werken. Ik begeef me meestal op het terrein van de fictie. Heb al veel klassieke toneelteksten geregisseerd. Maar soms word je gegijzeld door een plot. Door mensen en situaties die bedacht zijn en daar moet je dan echtheid in zien te brengen, en dat voelt soms als een omweg. Ik geloof er wel in hoor, in de kracht van verhalen. Maar het gevaar is dat het een wereld wordt die gesloten is, die niet transparant is. Mensen kunnen zich niet altijd even makkelijk verplaatsten in een personage als Hamlet.


Rik van den Bos ©Salih Kilic

En bij dit stuk voelen mensen wel 'dit ben ik'?
Met dit materiaal heeft iedereen voeling. Het stuk zoomt in, maar het zoomt ook regelmatig uit. Het gevoel dat we omsloten worden door het universum bijvoorbeeld, kennen we allemaal. Dat is universeel. Dat in- en uitzoomen, dat doen we allemaal en daardoor ontstaat het gevoel: we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. En op die situatie, op dat gevoel, daar wil ik heel even licht op schijnen: we zijn allemaal mens; we klooien allemaal; we zijn allemaal eenzaam en we gaan allemaal dood. Dat is een muur die op ons afkomt en waar je af en toe iets mee moet. Dat is de voorstelling. Ik ben nu bezig met die thematiek, ook in mijn eigen leven, ik heb er nu behoefte aan om daarin rond te lopen. Maar je moet daar uiteindelijk ook weer uit.

Heb je compassie met dit personage?
Ik benijd het personage niet om waar hij zich bevindt. Maar ik probeer daar wel compassie mee te hebben. Met dat gevoel van leegte. Een leegte waarin alles mag bestaan. Er zit heel veel mededogen in het stuk: voor slechtheid, voor domheid, voor mensen die succes hebben, mensen die niks uit hun handen krijgen. Er is heel veel mogelijk in de ruimte waarin het personage zich bevindt.
Als je in de rouw bent, als er iemand overlijdt in je omgeving, dan worden alle andere dingen triviaal, maar dat is eigenlijk ook een soort mededogen. Trivialiteit hoort erbij. Oordelen is alledaags. Als je uit dat alledaagse geslagen wordt, dan gelden er andere regels, dan is het allemaal oké. Het grote dient zich aan. Er zijn dan andere dingen belangrijk. Er is alleen maar trivialiteit, zelfs het grote is triviaal, dat is misschien de gedachtenoefening.

Er zit wel een klassieke beweging in het stuk?
Ja klopt. Er zit wel een catharsis in het stuk, een inlossing. Het is niet puur chaos. Het personage komt uit een knoop en die knoop is weg op het eind. Het is oké, het komt wel goed. Hij heeft een reis doorgemaakt in zijn hoofd. Het is dus een positieve dramaturgie. Het komt goed.

Is het stuk een zoektocht of is het een gebruiksaanwijzing?
Het is een zoektocht én een gebruiksaanwijzing. De weg is de bestemming. Zoekend in het leven staan, is een hele mooie staat van zijn. Kijken. Elke dag opnieuw. Alles bezien. Het is een gecondenseerde emotie waarin het personage zit. Dat houd je niet vol, waar hij in zit, uiteindelijk moet je weer gaan leven. Meditatie vind ik bijvoorbeeld intrigerend. Het stuk heeft ook wel iets van die manier van naar de wereld kijken. Maar een monnik alleen op een berg, verlicht zijn, daar zet ik vraagtekens bij. Dat lijkt of je levend dood bent. Het leven is te midden van de mensen. Zijn als een boom, dat vind ik jammer. Wij zijn geen boom. Er is interactie. We kunnen elkaar raken. Elkaar inspireren. En we hebben bewustzijn. We kunnen elkaar troosten. Elkaar schoonheid geven. Dat alles schept verplichtingen, en daar gaat het mis. Met dat bewustzijn wordt ook een boel kapot gemaakt. Of mensen worden depressief, en dan denk je: was ik maar een boom. Als het hoofd zich tegen je keert, dan is het je grootste vijand.

Het stuk heeft inderdaad soms wel de vorm van een meditatieoefening.
Het heeft ook te maken met mijn situatie nu. Ik ben mijn ouders verloren in korte tijd. In dat verhaal zit ik nu. Ik word daar niet opeens een wijze indiaan van, maar praktisch gezien ben ik heel dicht bij de sterfelijkheid geweest. De dood heb ik in mijn handen gehad en dat vormt mij wel. Dat geeft mij een filter op de wereld en dat deel ik met het hoofdpersonage. In het licht van de dood ziet alles er anders uit. Je kunt daar ook neerslachtig van worden. Ik probeer de afslag naar de somberheid niet te nemen, zelf niet, maar ook in de voorstelling niet. Ik probeer om er een soort mededogen uit te halen. De dood kan een gewicht zijn dat je neerdrukt. Je kunt naar dat gewicht toelopen, maar je kunt er ook vandaan lopen. Lust om te leven is dat je ook vrij bent om de draad weer op te pakken en te door te gaan.

In het licht van de dood ziet alles er anders uit. Je kunt daar ook neerslachtig van worden. Ik probeer de afslag naar de somberheid niet te nemen, zelf niet, maar ook in de voorstelling niet.


Erik Whien ©Salih Kilic

Het personage in Find me a boring stone neemt heel exact waar, is dat wat jij ook doet?
Ik heb er aanleg voor om, als er iets groots gebeurt, te kijken wat dat met mij doet. Ik sta altijd wel achter dat raam, zoals het personage uit het stuk achter het raam staat en de wereld beziet. Er zit iets tussen hem en de wereld. Dat is zijn bescherming. De dood zegt namelijk ook: ‘meekomen, hier komen’. Dat is gevaarlijk.

Deze man is voor jou totaal navolgbaar?
Absoluut. Maar ik hoop wel dat hij na het stuk iets leuks gaat doen. Het beschouwen is een oefening, maar het is ook streng. Het is een station waar het personage langskomt, en hij moet even uitstappen en rondkijken. Dan moet hij weer terug de trein in. Het is noodzakelijk, maar het is niet het hoogst haalbare. Meedoen, daar gaat het om. Maar om mee te kunnen doen, moet je ook dit doen. Misschien is het toch meer een gebruiksaanwijzing, maar dan in de vorm van een reis.

Hoe is het om een monoloog te regisseren?
Je moet alle dramatiek in één hoofd persen. Het hele toneelstuk zit eigenlijk in één mens. Met één iemand ga je ook een andere band aan als publiek. En als acteur ga je een dialoog aan met het publiek. Dus de intimiteit is groter. Je zit automatisch ook in het hoofd van het personage. Ik voel me heel erg uitgedaagd door die vorm. Het is ultiem.

Is het repetitieproces anders?
Het is misschien kwetsbaarder, maar vreemd genoeg voel ik me veiliger. Het is naakter en daardoor eerlijker. Ik kan niet zoveel trucs uithalen. Het is geen leugen. Acteren kan ook heel eenzaam voelen, dat je de fictie in moet. Ik hoop dat Gijs zich comfortabel gaat voelen en in charge en dat hij voelt dat hij door een heel andere hoepel moet springen. Hij moet een andere snaar raken dan bij een toneelstuk het geval is. Hij is niet echt een personage, maar een toon, een universeel hoofd.
En natuurlijk is het ook specifiek, het is mijn eigen echo chamber, het is niet die van een Afrikaanse man van 50, maar toch raakt die Afrikaanse man van 50 ook zijn ouders kwijt, en hij leeft onder dezelfde sterrenhemel als ik.

De hoofdpersoon kijkt uit over de stad. Waarom is hier specifiek voor gekozen?
In dit stuk heeft de schrijver Rik van den Bos wel specifiek gekozen voor de dynamiek van de stad. Hij heeft de stad als een troostrijk dier voor het personage neergelegd. De man die Gijs speelt kijkt naar de stad nadat hij iets heel verdrietigs heeft meegemaakt. Bij de stad zou je denken: doe de deuren open en leef en zoek aansluiting. Wat ik daarin een mooi beeld vind, is dat van samen alleen. In de stad kun je je ook extreem eenzaam voelen. Dicht op de huid van anderen. Die eenzaamheid opheffen door te zeggen: we zijn allemaal eenzaam, dat vind ik wezenlijk.

Het personage uit Find me a boring stone dat achter het raam staat en kijkt naar de mensen in de stad, weet: het eigenlijke leven is pappen en nathouden. En dat beziet hij met een liefdevolle blik. Het is een hardnekkig misverstand in deze tijd dat alle levensvormen worden neergezet als vastomlijnd. Maar zo is het niet. Je kunt heel succesvol zijn, maar ’s avonds kom je thuis en zit je met opgewarmde nasi op schoot. Daar kunnen mensen natuurlijk heel depressief van worden, van het idee dat het anderen allemaal wel lukt: elke avond Ottolenghi eten, paar keer paar jaar op vakantie. Die momenten kennen we allemaal, maar dat is maar af en toe. En dat ziet hij nu. Dat zit allemaal in het stuk, ik ben er echt heel blij mee. Het gaat continue over perspectief. Het glas is altijd halfvol én halfleeg. Natuurlijk zijn we over honderd jaar allemaal dood, en dat is prima. Dat haalt t gedoe eraf: het is oké. Ben er maar gewoon. Maak er niet meer van, maar maak er ook niet minder van. Lijden geeft ook waarde en perspectief, anders word je onverschillig.

‘Slechts miljoenen jaren tot je opveert en weer voor me staat’. Die zin gaat over degene die is overleden, en beschrijft een verlangen dat in het stuk zit. Is dat op een of andere manier troostrijk?
Ik vind het zo mooi omdat ‘slechts miljoenen jaren’ zo kinderlijk naïef is, zo onmogelijk. Daar zit een sprankje hoop, ook al gaat het nooit gebeuren. Mijn allergrootste verdriet zit in het feit dat ik mijn ouders nooit meer ga zien. Nooit is niet te verdragen. En in die zin zit de fantastische gedachte dat een eeuwigheid maar heel even duurt…

Interview door dramaturg Liet Lenshoek
Foto: Salih Kilic