In het jaarlijkse Keuze Debat spreekt Lex Bohlmeijer met vier gasten over de vraag of vrijheid een publiek nodig heeft met onder andere Willem Schinkel, socioloog en auteur van De Nieuwe Democratie, Liesbeth Noordergraaf Elens, econoom en auteur van het essay Tussen bevrijding en Borging, Tom Jan Meeus, NRC journalist en auteur van de Grote Amerika show. Liesbeth Levy, artistiek leider van De Unie in Debat, schreef onderstaande tekst over de achtergronden van het debat.
Heeft vrijheid een publiek nodig? Op 12 september vinden in Nederland de verkiezingen plaats. Op 30 september staat in het Keuzedebat de betekenis van kiezen centraal. Aanknopingspunt daarvoor is het publieke en politieke debat dat wordt gevoerd over (keuze)vrijheid. Deze debatten gaan niet zonder slag of stoot. Gewapend met uiteenlopende vrijheidsbegrippen gaan deelnemers in de publieke arena de strijd aan: vrijheid als insluiting of als uitsluiting, Europa als bron van vrijheid of onvrijheid. Het winnen van publieken is de inzet van deze strijd, vrijheid lijkt verloren zonder publieke steun. Vrijheid en het veroveren van publieken lijken zo tot elkaar veroordeeld. Deze veroordeling is het uitgangspunt van het keuzedebat.
De meeste zichtbare manier waarop die strijd zich toont is in de polarisering van het politieke debat. In zijn boek De Grote Amerika Show beschrijft NRC Amerika correspondent Tom-Jan Meeus dat hij bij terugkomst in Nederland een veramerikaanste politieke cultuur aantreft. Terwijl trendsettend Amerika het populisme begint in te dammen floreert het in het nuchtere Nederland. Woorden en beelden worden zo gekozen dat daarbij impliciet een aantal aspecten van het beschrevene worden uitgelicht. Niet zomaar aspecten, maar die aspecten waarvoor de beoogde ontvanger het meest vatbaar is worden naar voren gehaald. Meeus laat het niet bij een retorische analyse van het politieke debat, maar vraagt zich af wat de risico’s zijn van de polarisering die hieruit voortvloeit. Wat het in de VS heeft gebracht is voor hem duidelijk een onbestuurbaar land dat zo doordrenkt is van wantrouwen dat zelfs luiers, bier en onderwijs gepolitiseerd worden. Een land dat doormoddert in onwinbare oorlogen en de staatsschuld tot astronomische hoogte laat oplopen. Een land met een dolgedraaide misdaadbestrijding, waar superrijken in staat zijn op klaarlichte dag het hele onderwijs te privatiseren, omdat politici niets meer terug durven te zeggen. Het creëert een maatschappij waarin mensen alleen nog geloofwaardigheid kunnen kweken door een dagelijkse show op te voeren.
In het keuzedebat stellen we ons de vraag wat vrijheid betekent in een land waar het politieke debat een performance is? Hebben zij die aan het populistische keurslijf ontsnappen eigenlijk nog een publiek? Vrijheid, ideologie en identiteit In het essay Tussen Bevrijding en Borging dat Liesbeth Noordergraaf-Eelens, Martijn van der Steen en Paul Frissen schreven in opdracht van het comité 4 en 5 mei, wordt de problematische kant van vrijheid belicht. Het mag dan onwenselijk zijn om debatten over vrijheid te polariseren, begrijpelijk is het wel. In het essay wordt duidelijk gemaakt dat de vrijheid niet bestaat, vrijheden bestaan wel. Maar al die vrijheden zijn op hun beurt ideologisch beladen. Elk vrijheidsbeeld is geworteld in een eigen mens- en wereldbeeld. Juist de ideologische inbedding maakt vrijheden vatbaar voor een populistische of intellectuele strijd: met elke vrijheid komt een utopie. De strijd wordt aangewakkerd door de verwevenheid van identiteit en vrijheid: ‘vertel me wat je vrijheid is en ik vertel je wie je bent’. Dat betekent dat een discussie over vrijheid nooit een discussie is over een abstract begrip, maar ook altijd over dat waar iemand zelf voor staat. Tot op zekere hoogte kunnen de ideologisch ingebedde vrijheden naast elkaar bestaan, maar dit zal nooit zonder (potentieel) conflict zijn. Leven met vrijheden vraagt om het brengen van offers: hoeveel van mijn vrijheid offer ik op voor de vrijheid van de ander? En met deze vraag komt de vraag of vrijheden zich wel laten offeren.
Vrijheid en utopie Willem Schinkel geeft een aanzet om dat gesprek over vrijheid te midden van de strijd te openen. Hij biedt een alternatief om ons op een andere manier tot vrijheid te verhouden: de utopische politiek van de herinnering. Schinkel doelt hiermee op een vorm van herdenken die hij ‘her-denken’ noemt: een vorm van herinnering die niet op het verleden maar op de toekomst is gericht. Hij pleit hiervoor aan het einde van zijn nieuwste boek De Nieuwe Democratie. Schinkel verdedigt de idee dat waar de vrijheid wordt verdedigd er een rookscherm wordt opgetrokken waarachter het gebrek aan alternatieven en dus het gebrek aan werkelijke vrijheid – werkelijke keuzes - verdwijnt. Naar zijn idee is de huidige democratie verworden tot een boekhoudtechniek. Hij stelt zich daarom de vraag hoe een politiek die het steeds moet afleggen tegenover financiële markten opnieuw moet worden vormgegeven. De macht ligt bij markt en media die door voorselectie onze vrijheid in het publieke debat beperken. Schinkel pleit voor een nieuwe vorm van politisering. Hij ontwerpt een nieuwe Raad van State als bron van kritische tegenmacht, en pleit voor een kritisch nationalisme dat de natie als utopisch project in plaats van een museaal project beschouwt. De door Schinkel voorgestelde Raad agenderend moeten zijn. De Raad van State geeft een stem aan subversieve sectoren als kunst, religie en wetenschap. De utopie is zoals een utopie hoort te zijn: aantrekkelijk. Maar, is een stem geven voldoende om gehoord te worden?