Nasrdin Dchar vertelt het verhaal van zijn moeder.
‘Oumi’ betekent ‘mijn moeder’. Gouden Kalf-winnaar Nasrdin Dchar vertelt in een nieuwe monoloog van Maria Goos over Habiba, een Marokkaanse vrouw die in Steenbergen terechtkwam. Ze groeide op in het bergdorpje Touasitte. Waarom kwam ze naar Nederland en hoe veranderde dat haar leven? En hoe kon het toch gebeuren dat een van haar zonen die acteur werd? Die zoon voelt zich vaak ingeklemd tussen loyaal zijn aan het land waar zijn wortels liggen en loyaal zijn aan het land waarin hij leeft. Veel is verenigbaar, veel ook niet.
Dchar speelde in deel twee van De geschiedenis van de familie Avenier (ook van Maria Goos) de rol van Mohammed, die als gastarbeider in de jaren zestig naar Nederland kwam – het verhaal van zijn eigen vader. Toen tijdens de lezing van deel drie bleek dat Mohammed medeverantwoordelijk was voor het verduisteren van het familiekapitaal, kwam hij in gewetensnood. Hij overwoog om uit de voorstelling te stappen. De brieven die hij schreef naar regisseur Jaap Spijkers en schrijfster Maria Goos vormden de aanleiding voor de voorstelling Oumi. Dchar en Goos verbleven in Oujda, Marokko bij zijn familie. Ook de ervaringen in Oujda en interviews van Dchar met zijn moeder werden materiaal voor Oumi.
“Een glanzende voorstelling als Oumi is een belangwekkende aanwinst, niet alleen voor het oeuvre van Maria Goos, ook voor het Nederlandse toneel” (NRC Handelsblad)
“Nasrdin Dchar toont zich een meesterlijke verteller” (Het Parool)
“Een verhaal van herinnering, verwondering, weemoed en veerkracht – ontwapenend en fris” (De Volkskrant