Het oversteken van een podium is als het betreden van een nog maar net bevroren watervlakte: je hoort alles kraken, je ziet wakken waar ze niet zijn, je weet niets meer en je kunt nauwelijks nog op iets rekenen.
Verteekening is een voorstelling over onweerlegbare verschillen.
of in kermistaal:
een anticipatie als poging tot verwerking van het algemene gevoel van verscheurdheid. in figuurlijke zin kun je een vertekend beeld van iets hebben gemaakt of kan een beschrijving een vertekend beeld geven.
Er zijn inhouden die speciaal voor ons lijken bestemd, voor ons lijken bereid, die op de drempel van het leven op ons wachten. Zo heb ik als kind van acht de ballade van Goethe met heel haar metafysica ervaren. Door het halfbegrepen Duits heen vatte en voelde ik de betekenis en diep geschokt huilde ik wanneer moeder haar voorlas. Zulke beelden vormen een programma, ze leveren ons het kapitaal van de geest, dat heel vroeg in de vorm van intuïties en halfbewuste gewaarwordingen wordt gegeven. Mijns inziens zijn we de rest van ons leven bezig die inzichten te interpreteren, ze in de gehele inhoud die we verwerven te ontrafelen, ze in ons intellect te verwerken, in alles wat we kunnen omvatten.
Die vroege beelden geven de grenzen van de creativiteit van de kunstenaars aan. Hun werk is een deductie uit pasklare premissen. Daarna ontdekken ze nooit meer iets nieuws, ze leren alleen steeds beter het geheim te begrijpen dat hun in de aanvang is toevertrouwd en alles wat ze scheppen is een doorlopende exegese, commentaar bij die paar regels die hun zijn opgegeven.
De kunst ontraadselt dit geheim overigens nooit helemaal. Het blijft onontward. De knoop, waarin de ziel is gestrikt, is geen valse knoop die na een ruk aan het einde uiteenvalt. Integendeel, hij wordt steeds strakker aangetrokken.
We manipuleren ermee, volgen de loop van de draden, zoeken het einde en uit die manipulaties ontstaat kunst.
Ik meen dat het rationaliseren van de visie die in een kunstwerk zit, gelijkstaat aan het ontmaskeren van de acteurs. Het is het einde van de pret, een verarming van de problematiek van het werk. Niet omdat de kunst dan een logogrief met een verborgen sleutel zou zijn, en de filosofie dezelfde logogrief -opgelost. Het verschil reikt dieper. In het kunstwerk is de navelstreng die het met de totaliteit van onze problematiek verbindt nog niet doorgesneden, daar circuleert nog het bloed van het geheim, de bloedvaten strekken zich uit tot in de omringende nacht en keren vandaar gevuld met een donker fluïdum terug. In de filosofische interpretatie hebben we alleen nog een van het geheel afgezonderd anatomisch preparaat over.
Er bestaan geen dode, vaste, begrensde voorwerpen. Alles diffundeert er buiten zijn grenzen, bestaat slechts kort in een bepaalde vorm en verlaat deze bij de eerste gelegenheid. In de gewoonten, de bestaanswijzen van deze werkelijkheid openbaart zich een zeker principe - dat van de panmaskerade. De werkelijkheid neemt bepaalde gedaanten alleen aan voor de schijn, voor de grap, voor de lol. Iemand is een mens, iemand anders een kakkerlak, maar die gedaante gaat niet terug op het wezen, is slechts een voor een moment aangenomen rol, slechts een opperhuid die dadelijk wordt afgeworpen.
Hier wordt een extreem monisme van de substantie voorgeschreven, voor welke de afzonderlijke voorwerpen enkel en alleen maskers zijn. Het leven van de substantie bestaat uit het verbruiken van een ontelbare hoeveelheid maskers. Deze zwerftocht van vormen is de essentie van het leven. Daarom straalt die substantie een aura van panironie uit. Voortdurend heerst daar de sfeer van de coulissen, van de achterkant van het toneel waar de acteurs na het uittrekken van hun kostuums om het hoogdravende van hun rollen lachen.
Alleen al in het feit van het afzonderlijke bestaan liggen ironie, voordegekhouderij, een clownesk uitgestoken tong besloten. Wat deze universele ontgoocheling van de werkelijkheid betekent, kan ik niet zeggen. Ik stel slechts dat het niet te dragen zou zijn, als we niet in een andere dimensie schadeloos gesteld zouden geworden. Op de een of andere manier voelen we een diepe voldoening over deze losheid van het weefsel van de realiteit, hebben we belang bij dit bankroet.
De kunstenaar is het apparaat dat de processen in de diepte registreert, daar waar de waarden ontstaan.
Destructie? Maar het feit dat die inhoud een kunstwerk is geworden, betekent dat we deze bevestigen, dat ons spontane diepste innerlijk zich ervóór heeft uitgesproken.
(Uit een serie vragen aan Bruno Schulz gesteld door Stanislav Ignazcy Witkievitcz gepubliceerd in het tijdschrift ‘Pion’ 1935. vertaling: Gerard Rasch, 1995)
met dank aan: (onder veel anderen) bruno schulz, konstantin stanislavsky, vsevolod meijerhold, yevgeny vagtangov, kazimir malevich, vladimir mayakovsky, vladimir tatlin, maurice maeterlinck, jacques dalcroze, adolph appia, jerzy grotovsky, etienne decroux.
met: annette kouwenhoven, matthias de koning, jorn heijdenrijk, miranda prein, jan joris lamers, mogelijke gasten.
Dan weer diepzinnig, dan weer hilarisch en soms onbegrijpelijk. Alle acteurs blijven zeer spannend om naar te kijken, of ze nu vallen of niet vallen, in een diagonaal lopen of een horizontale terzijde plaatsen. Het was in elk geval heel erg Discordia.